De eenzaamheid van het westen – Hoofdstuk 2

De dag dat de Bond van de Geamputeerden mij in Toronto had uitgenodigd voor het gesprek, zal ik niet licht vergeten. De Bond zocht een schilder die voor zijn nieuwe kwartaalblad overzee de toestand na de oorlog op papier kon vastleggen. De Bond wilde artikels van veteranen, verhalen over heldendaden en oproepen tot verloren gewaande kameraden afwisselen met afbeeldingen van de velden van eer waar zijn leden zo onfortuinlijk waren gekortwiekt. De Bond had geld, maar geen fortuinen én één van de bestuursleden had ooit portretten bij Meneer Francke besteld en hem gevraagd of hij niemand kende. Het één of ander jong en onvervaard talent dat een historisch en picturaal verslag kon brengen van hun naoorlogse Inferno. Aldus de vertaling van Meneer Francke die onder zijn gevederde uiterlijk meer van soldatentaal begreep dan hij liet vermoeden.

Meneer Francke had voor mij alle brieven geschreven, papieren ingevuld en aanbevelingen bij elkaar gelogen. Mijn dossier zag er zelfs in deze volle kamer op die enorme tafel indrukwekkend uit.

De mannen zaten in gradatie van geamputeerdheid. Terwijl ik rondging en iedereen een hand trachtte te geven, telde ik één arm, géén armen, één been, géén benen, één arm en één been en tenslotte een stumper die geheel ontdaan was van zijn ledematen. Aan de voorzitter scheen buiten zijn buitenformaatse snor echter niets te ontbreken. Geen oog, nog geen vinger. Ik durfde hem de vraag niet te stellen en bleef tijdens het gesprek de hele tijd beducht op onverhoedse demonstraties van zijn onvolledigheid. Die waren mij niet gegund.

Meneer O’Hara had de zware taak op zich genomen om zijn toch al noodlottig getroffen medesoldaten niet met zijn eigen gebrekkigheid te confronteren.

Er werd mij iets koels aangeboden wat ik nerveus accepteerde.

Ik ben, zoals weinigen weten, een vrouw met twee gezichten en mijn brutaliteit ten overstaan van mijn broers, moeder en Meneer Francke kreeg in het gezelschap van vreemden meestal een schaamrode kleur.

“U bent zo jong”, zei Meneer O’Hara, de voorzitter.

“U bent een vrouw”, stelde hij vervolgens vast.

“U weet niet eens wat oorlog is”, besloot hij met een draai aan zijn snor.

Ik moest hem deels gelijk geven. De oorlog was me vier jaar lang in Halifax in het gezicht gesprongen, toch was ik geen soldaat die zijn oorlogswonden kon tonen. Zelfs geen verpleegster die hun amputaties had verzorgd.

Gelukkig had ik nog mijn broers.

“Mijn twee oudste broers zijn op dezelfde dag in Passendale gesneuveld”, zei ik en hoorde hoe mijn brutaliteit naar voren drong.

“Mijn twee jongste broers zijn bij de ontploffing in Halifax omgekomen.”

De man zonder armen keek slaperig op. Zijn blik kruiste de mijne en ik knikte naar hem om mijn leed te benadrukken. Hij mocht van geluk spreken. In vergelijking tot mijn broers. Hij had zijn benen nog. Zo brutaal zou ik het nooit durven te stellen, maar dat bedoelde ik wel.

“En mijn moeder is Belgische. Ik ken de taal.”

“Belgisch?”, vroeg de voorzitter wiens buitenlandse oorlogservaringen waarschijnlijk tot de uiterwaarden van de Canadese wateren beperkt waren gebleven.

“Vlaams”, zei de geenarmige slaperig.

“Of Frans”, zei de man met één been.

“Beide”, loog ik en lachte gracieus naar de beenloze.

“U bent wel nog steeds een vrouw”, zei de voorzitter.

“Er zijn grotere tragedies”, zei de man met één arm.

Er werd gehoest en gelachen. Ik lachte mee.

Het leken me verstandige mannen die niet noemenswaardig diep gebukt schenen te gaan onder hun verdwenen lichaamsdelen. En ik wist alles van gemis. Misschien maakte dat hen zo mild.

De voorzitter begon in de dikke map met papieren te bladeren. Meneer Francke had mijn alleraardigste portretten als voorbeeld meegestuurd.

“U hebt wel talent”, zei hij en ik zag aan de andere mannen dat ze allang hadden beslist dat ik mocht gaan. Dat tragische meisje zonder broers dat zo aardig kon tekenen. Ze hadden de romantiek nog niet helemaal opgegeven.

Ik zweeg en wachtte in stilte tot hij me zou vertellen dat ik het werd.

Op straat viel de late winter op mijn schouders. Het was in Toronto veel kouder dan in Halifax. In het pension waar ik de nacht had doorgebracht, had ik rillend onder de dikke dekens gelegen en me afgevraagd hoe mijn moeder ooit de winters in Saskatchewan was doorgekomen. Hoe dieper je Canada introk, hoe wreder het weer. Alles was hier witter. En boerser. Dat was een rare vaststelling omdat ik altijd had geloofd dat ik in mijn provinciestadje van niks nooit de echte wereld had gezien. Toronto leek een stad waar alle plezier verboden was, waar nooit een dronken matroos in het water sukkelde en er lachend door de brandweer weer werd uitgehesen, waar de oorlog geen opwinding, geld en onwettige kinderen had gebracht of waar iedereen deed alsof ze niet bij de rest van het land hoorden en altijd uitkeken naar de overkant van de wereld.

Ik liep met mijn koffertje naar het station en vergat in mijn opwinding over mijn vertrek naar Europa bijna dat ik mijn moeder had beloofd om een paar boeken voor haar mee te brengen. Ze was in haar Flaubert-periode en had ontdekt dat hij dezelfde passie voor archeologie met haar deelde. Ik vond een boekenwinkel met een Franstalige afdeling en koos op goed geluk zijn brieven aan George Sand uit en een in rood leer gebonden Salambbô. Daarna kocht ik in een academische boekhandel de Sumerisches Glossar en Grundzüge der sumerischen Grammatik van Friedrich Delitzsch. De studie van een taal die nog doder dan de hare was, zou haar vast weer een tijd gelukkig maken. Op de trein naar Montreal waar ik de overstap naar Halifax moest maken, begon ik in het brievenboek van Flaubert te bladeren. Mijn oog viel op één van zijn brieven ten tijde van de Frans-Duitse oorlog in 1870.

“Misschien gaan wij een herhaling van de rassenoorlogen tegemoet. Je zult zien dat binnen een eeuw een paar miljoen mensen elkaar in één treffen zullen afmaken. Het hele Oosten tegen heel Europa, de oude wereld tegen de nieuwe!”

Ik pakte mijn tekenblok en schreef in potlood de zin over. Daarna sloeg ik het boek dicht en begon ik een slagveld te tekenen zoals ik dat alleen van prenten kende: soldaten met getrokken zwaarden en schreeuwende monden. En één zieltogend paard. Pas veel later zou ik begrijpen dat ik net zo goed een kermistafereel had kunnen schetsen, of een dagje op de schaatsbaan. Plaatsen waar mannen om hun durf en kracht werden geprezen en bloed altijd werd gestelpt met een glas bier en een kus van een meisje. Zo dacht ik over oorlog voor ik er ooit de restanten van had gezien. Voor ik oog in oog kwam te staan met een land dat geen woorden meer had voor alle doden die er begraven lagen.  Die oude, teruggetrokken Flaubert had er op voorhand al veel meer vanaf geweten dan ik.