Lees hier Johanna’s essay over Vlucht

Ik woon in een gelittekend land. Daar heeft het verleden voor gezorgd. En ook al zijn we niet van het herdenkende soort en bouwen we graag foeilelijke façades voor en boven op onze verwoestingen, niemand kan de sporen van dat verleden uitwissen. 

In mijn eerste boek Dood van een soldaat (2005) beschreef ik een dorp vol mensen die allemaal getekend zijn door de Eerste Wereldoorlog. De mensen die in bezet België onder Duits bewind moesten overleven, hadden hun verhaal. Hun visie. Hun littekens en trauma’s. De soldaten die het front achter de IJzer hadden overleefd, vertelden een heel ander verhaal. Fysieke gruwel, afstomping en vervreemding. Ze hadden dezelfde oorlog meegemaakt, maar begrepen niet wat de ander vertelde. In een wereld zonder televisie, radio, internet, straalverbindingen en 3D moesten ze het met niet meer dan hun falende verbeelding doen.

Omdat ik al jaren veel lees over de Eerste Wereldoorlog, kwam ik op het spoor van een derde groep ‘mensen met een verhaal’. De vluchtelingen. Bij de inval van de Duitsers in de zomer van 1914 sloegen heel wat Belgen op de vlucht. Naar Frankrijk, Engeland en Nederland. Nederland was het enige land dat neutraal bleef in de oorlog en ook dat had z’n gevolgen voor de vluchtelingen. Ze waren met velen. Overladen met medelijden en goedhartigheid in het begin. Pas later kwam de wrevel, en de ergernis. Niemand houdt van een te lang omhoog gehouden hand. Zeker niet als je eigen land z’n zonen en mannen noodgedwongen aan de grenzen moet stationeren ter bewaking van de neutraliteit. Zeker niet als de oorlog je tegelijkertijd rijk én arm maakt. Daarover gaat Vlucht. Of toch een deel. Want naast het verhaal van een Belgische vluchtelinge in Nederland, gaat dit boek ook over twee vrouwen die emotioneel op de vlucht zijn. Over het gemak en het juk van schoonheid, en de ondoordringbaarheid en veiligheid van ingebeelde lelijkheid. Over mensen in een oorlog en mensen in oorlog. En over liefde in al z’n gebrekkige vormen.

 

 

Ik ben niet erg visueel ingesteld. Ik eis woorden als ik beelden zie. Wil geuren en klanken. En als de beelden die niet gratis leveren, verzin ik ze er zelf bij. Zo kom je altijd weer bij de geschiedenis terecht. Het verleden dat verhalen vertelt, maar ook de oorsprong van ons huidig (on)denken en (on)handelen verklaart. We zijn nooit vreemd aan ons eigen verleden. We kunnen het misbruiken, verloochenen of ridiculiseren, maar we kunnen het nooit ongedaan maken. Omdat het in ons zelf zit, zoals C.G. Jung ons zo streng verklaarde. En zelfs als we allemaal zijn uitgestorven, is het verleden er nog steeds. Met dank aan de aardlagen, de archeologie en misschien dat ene boek dat het toch overleefde.

 

Johanna Spaey