‘Kleine encyclopedie van de eenzaamheid’

Kleine encyclopedie van de eenzaamheid (De Geus, 2018)

Er zijn evenveel definities van eenzaamheid als er mensen zijn die de eenzaamheid ervaren. Is eenzaamheid zelfgekozen, zelfopgelegd, aangeboren of gedwongen? In dit ABC-boek gaat de schrijfster dieper in op 101 soorten eenzaamheid.

Lees meer

In dit persoonlijke boek onderzoekt Johanna Spaey vele vormen van eenzaamheid. Eenzaamheid wordt vaak gedefinieerd vanuit isolement, verdriet en wanhoop. Maar eenzaamheid is meer dan dat. Het kan een voorwaarde zijn om beter met jezelf te leren omgaan, noodzakelijk om creatief te zijn. Op basis van literatuur, kunst, film en meer onderzoekt de schrijfster waarom mens, dier en boom, boekverbranders en Zaanse klokken, Connie Converse en Forrest Gump een eenzame kern hebben.

Lees hier al een fragment

Aardappeleters

Ze zijn lelijk en primitief, ze hebben platte koppen en dikke lippen. Hun avond ligt vast door een bord. Praten doen ze niet. De vragende blik die de vrouw haar etende man toewerpt, wordt niet beantwoord. Wat moet hij haar vertellen: zijn dagen zijn altijd hetzelfde, net als de hare. Het kind zit er wat verloren bij, toch al gevangen in het licht van hoe het altijd zal zijn. De Aardappeleters klaagt niets aan. Het stelt vast: zo is het leven bij de boeren, dit is hun troosteloze avondmaal, en zo zal het blijven. Je staat er hulpeloos naar te kijken. Alleen de koffieschenkster wekt bij de toeschouwer wat hoop. Misschien wordt het toch nog een gezellige avond straks: vader vertelt een verhaal, moeder lacht, het kind speelt.

Vincent van Gogh (1853-1890) schilderde zijn De Aardappeleters in 1885. Constant Permeke (1886-1952) laat er zich in 1935 door inspireren en stript zijn De Aardappelvreter tot de essentie van honger en dorst. De groteske man is nog lelijker en primitiever. Hij kan een boer zijn, misschien een arbeider of een mijnwerker. Hij zit alleen voor een bord aardappels en een kop koffie. Juist omdat ze ontbreken, vraag je je af waar de vrouwen en het kind naartoe zijn. Gestorven toen de aardappeloogst mislukte of in grauwe armoede verkocht voor een bord vol? De man heeft hen uit beeld geschoven, zijn honger is te sterk, overwoekert zijn hart. Hij stort zich op het bord.

 

Ins Blaue hinein

Het klinkt beter dan in het wilde weg, al staat het gewoon voor zonder overleg of goed nagedacht hebben ergens aan beginnen. Mensen die solo leven genieten niet altijd meer van hun vrijheid of hebben de neiging om iets ‘ins Blaue hinein’ te doen en hun stramme spieren los te gooien. Het kan best verrassend zijn om de deur achter je te sluiten en op pad te gaan. Tenslotte kun je doen wat vele gebonden mensen niet kunnen of durven: je hoeft niet te soebatten over de planning van je weekends, je mag gerust naar Bambi en niet naar die arthousefilm gaan kijken omdat hij je dan intellectueler inschat, je mag in het bos luidop zingen, en alle trappisten die op de kaart staan drinken tot je echt de weg naar huis niet meer vindt. Je kunt een piano in huis halen ook al kun je niet spelen, de slaapkamer zwart schilderen en Satan aanbidden of gewoon aan de keukentafel naar Japanse porno kijken. Hoe bevrijdend is het niet wanneer je zomaar schots en scheef kunt leven, zonder plan, zonder pottenkijkers?

 

Ongepubliceerde schrijver

Een ongepubliceerde schrijver is niet per se een slechte schrijver, hij is alleen geen ‘echte’ zolang hij niet gepubliceerd is. Die twee gaan hand in hand. Je kunt zoals velen in eigen beheer uitgeven of je teksten op het internet gooien. De kans is klein dat je je dan zult voorstellen als ‘ik ben schrijver’, want met jou zijn er miljoenen. Niet iedereen die wat in de badkamer knutselt, mag zich loodgieter noemen. Niet elke huisvader die voor zijn gezin kookt, is een Michelin-chef.

Je identiteit als schrijver staat of valt met gepubliceerd worden. Door een officiële uitgeverij. Die ervoor zorgt dat je in een officiële boekenwinkel ligt. Tussen andere officieel gepubliceerde schrijvers.

Die identificatie gaat buiten jou om. Je hebt ze zelf niet in de hand. Tussen je een schrijver voelen en er een zijn, staat een onbekende die je een uitgeefcontract onder je neus schuift en zegt: nu ben je een schrijver.

Je mag jezelf een mislukkeling voelen als het nooit lukt of verbitterd het dure grachtenpand van de uitgeverij die je je bestaansrecht als schrijver heeft ontzegd, in brand steken. Wees daar echter voorzichtig mee: soms wordt je meesterwerk jaren na je dood in hun kelder teruggevonden. Plots pas je in een hype, ben je een onbekend genie dat met veel lawaai wordt uitgegeven. Postuum ben je het dan toch: een schrijver.

 

Slapeloze

Terwijl mijn lief alvast de nacht in glijdt, vraag ik me af of er nog iets concreets is wat ons verbindt in onze slaap. Ik ben nu wakker en weet dat hij slaapt, maar als ik slaap, kan ik nooit honderd procent zeker weten dat hij nog altijd hetzelfde doet. Zo kunnen we nooit een zijn in onze gezamenlijke nachten. Altijd is er de twijfel. De vrees dat hij elders vertoeft. Niet in dezelfde hartslag als de mijne. Van zijn dromen weet ik helemaal niets. Alles wat hij me er daarna over vertelt, kan perfect gelogen zijn. Daarom moet ik wakker blijven en over hem waken, nee hem in de gaten houden. Waar gaat hij heen? Neemt hij me in zijn slaap ooit met zich mee?

 

Tafel

Wie samen aan tafel zit hoort, althans voor het ogenblik van de maaltijd, bij elkaar.

Als je ergens nieuw bent, schuif je niet zomaar aan bij een tafel. Je wacht tot je wordt gevraagd. Ook als er zichtbaar lege stoelen zijn. Mensen kunnen nog doen alsof ze niet doorhebben dat je daar staat te wachten, maar een lege stoel negeert jou openlijk. Niet hier, niet bij ons. Alice in Wonderland buffelt die onderhuidse bezwaren tegen haar aanwezigheid opzij. ‘“Geen plaats! Geen plaats!”, riepen zij uit toen ze Alice aan zagen komen. “Er is meer dan genoeg plaats!” zei Alice verontwaardigd, en ze ging in een grote leunstoel aan het ene eind van de tafel zitten.’

Mensen die niet samen willen eten en door plaatsgebrek aan dezelfde tafel moeten zitten, proberen dan weer zo veel mogelijk ruimte te laten tussen zichzelf en de anderen. Wat Alice doet, is van een derde orde: zij negeert het sociale verbod (hoe luid ook), terwijl ze door aan het verste einde plaats te nemen, bevestigt dat ze misschien ook wel niets met de anderen wil te maken hebben. Het is een ‘hoepel op’ van twee kanten.

 

Wij

Iemand die alleen is, kent geen wij-vorm. Koppels wel. Zij hebben naast zichzelf ook een verschijningsvorm waarbij ze in naam van hun tweeën denken en spreken. ‘Wij zullen er niet bij kunnen zijn.’ ‘Wij vinden dat onze kinderen ervaringsonderwijs moeten volgen.’ ‘Wij denken dat het niet gezond is om zo veel suiker te eten.’ Het lijkt onwaarschijnlijk dat het aandeel van de partners in dat ‘wij’ gelijk is, maar toch wordt het als één front naar voren geschoven. Die ‘wij’ zorgt er ook voor dat je, als je als alleenstaande met koppels optrekt, vaker dan je lief is met die ‘wij’ moet onderhandelen. Je bent al benadeeld omdat je alleen jezelf in de strijd kunt werpen, je moet er ook rekening mee houden dat de aanwezige ‘wij’ hun hardnekkige solidariteit met elkaar vereist, waardoor je soms oneerlijk het onderspit moet delven.

Als je alleen bent, kun je je nooit achter een wij verbergen. Dat maakt etentjes of avondjes uit met koppels zo vermoeiend. Als iemand met partner geen zin heeft in een gesprek of discussie, kan zij of hij nog altijd naar de ander kijken en doen alsof die uit naam van hun tweeën spreekt. De single wordt wel altijd geacht om een standpunt te hebben, ze moet altijd haar ik-vorm verdedigen, kan nooit eens rustig de wapens terzijde schuiven en ervan uitgaan dat iemand anders wel de wij-opinie verkondigt.

De wij-vorm wordt, zo leert de ervaring, vaker gebezigd door vrouwen dan door mannen. Er bestaat een soort oer-vrouwentrots dat ze het statuut van getrouwde mevrouw hebben verworven. Mannen vinden het toch makkelijker om te zeggen dat ze naar Tenerife op vakantie zijn geweest zonder hun aanhang te vermelden.